Donderdagmiddag. Ik plak een briefje op de deur met het woord “ziek”, pak mijn spullen en sluit de kassa af. Over tien minuten stap ik in de auto om naar de dokter te gaan.

Een oudere meneer op een e-bike kijkt naar het briefje, rammelt aan de deur en ontdekt dat deze niet op slot zit.

Hij loopt naar binnen en vertelt: “Wat fijn dat ik u toch tref. Ik was hier vorige week voor een nieuw zadel en toen zei je me een keer met de fiets langs te komen, zodat je naar mijn zithouding kunt kijken om me een goed zadel aan te meten. Nou, hier ben ik.”

Het spijt me, dat komt nu niet goed uit, want zoals u op het briefje las, ben ik ziek. Over tien minuten ga ik naar de dokter.

“Oh… over tien minuten? Kun je me dan niet even in tien minuten aan een goed zadel helpen?”

Nee, ik ben ziek en moet nu gaan.

“Ja, maar jij zei toen dat ik zomaar langs kon fietsen. Nu kom ik helemaal voor niets uit Deventer gefietst!”

Tsja, ik ben ziek. Kan gebeuren.

“Ja, maar ik rijd al honderden kilometers met een zere kont. Ik ben dat nu zat.”

Komt u volgende week nog maar eens, dan zal ik kijken wat ik voor u kan doen.

Ja, maar mijn kont gaat steeds echt kapot. Schrale plekken enzo. Heel naar.”

Ja, pijnlijk. Maar eh… ik ben z…

“En ik wil niet wéér voor niets komen. Hoe weet ik dan zeker dat je er wel bent?”

Dat weet je nooit.

Tsjonge, wat vervelend nou.”

Ja.

“Nu kan ik voor niets weer terug fietsen.”

Ja. Want ik moet nu naar de dokter.

“Zucht… Nou… tot volgende week.”

Ja, maar wat als ú dan ziek bent?