Repareerbaar of betrouwbaar?
Wil je de woestijn ín, neem een Land Rover. Wil je er ook weer úit, neem een Toyota.
Dit is een gevleugelde uitspraak in de overlanders-community. De mensen die in uitdagende omstandigheden afhankelijk zijn van hun voertuig, kiezen niet voor het ding dat eenvoudig te repareren is. Ze kiezen voor het ding dat niet stukgaat. Net als Artsen Zonder Grenzen, meerdere legers, expeditieteams op de Noordpool en de reddingsbrigade in IJsland.

Bepaalde fietstechnieken schaar ik in de categorie Toyota. Zoals de interne versnellingen van Rohloff en Pinion, de Gates tandriem, hydraulische Magura remmen en Fahrwerker schijfremmen.
Ja maar… Wat als het kapot gaat?
Op internet komt bij ieder topic over deze technieken altijd wel ergens een Ja-maar persoon naar voren. “Ja, maar als het kapot gaat, kun je het niet zelf repareren. En dit en dat is wereldwijd beter verkrijgbaar. Dus ik hoef die nieuwerwetse fratsen niet.”
De Ja-maar noemt altijd graag hoe slecht een moderne techniek te repareren is en predikt dan over een oude, beproefde techniek die dat wél is. Hij zegt daar echter nooit bij hoe vaak dat nodig is. Hij verkiest kwetsbaar en repareerbaar boven betrouwbaar en gesloten en zal dat fanatiek verdedigen met “Wat als…?”
Neem de derailleur. “Als daar iets mee is, kan ik ‘m zelf weer maken,” zegt de Ja-maar.
Mooi man. De kans dat je op een lange reis aan je derailleursysteem moet prutsen is bijna 100%. Gefeliciteerd met je beheersing van een probleem dat je zelf hebt gekozen. Heb je een tweede derailleur bij je? En denk je wel aan een passende derailleurhanger?
Er zijn genoeg redenen om voor een derailleur te kiezen, maar repareerbaarheid is een argument dat de zwakte van het systeem bevestigt.

“Ja, maar het binnenwerk van een Rohloff kan je niet bereiken, dus áls daar wat mis mee is, heb je een probleem.”
Klopt. Áls. De grootte van die “als” is verwaarloosbaar. De techniek in de versnellingsbak van mijn auto kom ik ook niet bij. Als ik steeds op tijd de olie ververs, hoeft dat ook nooit.
Dan de tandriem. De Ja-maar zegt: “Een ketting kun je repareren.”
Klopt. Een beetje sleutelen, met vette vingers, in de regen, in de berm van een drukke autoweg en je kunt weer op weg. Mits je een schakeltje en een kettingpons bij je hebt. Een tandriem vervang je in een kwartiertje, met een inbussleuteltje en schone handen. Mits je er een bij je hebt, natuurlijk. Dat “mits” geldt voor allebei. Het enige verschil is hoe vaak je het nodig hebt. Ik heb mijn reservetandriem al 12 jaar en 45.000 kilometer niet nodig gehad.
En zo kan ik nog wel even doorgaan met andere technieken. Kabelremmen versus hydraulische remmen. Velgremmen versus schijfremmen. Stalen frames versus aluminium frames. 26″ banden versus 28″ banden. Binnenbanden versus tubeless banden.
Tijden veranderen
De fietsindustrie ontwikkelt door. Wat vroeger overal en altijd repareerbaar was, wordt nu niet meer geproduceerd en sterft wereldwijd uit. En wat als nieuwerwets wordt gezien, blijkt stiekem al best wel oud en beproefd. De Rohloff-naaf heeft zich al ruim 25 jaar bewezen en ook de tandriem doet al meer dan 15 jaar goed zijn werk. Dus de technieken waar de Ja-maar voorkeur voor heeft, veranderen met de tijd. En daarmee stopt de discussie nooit.
Overal te repareren bestaat niet. Overal verkrijgbaar ook niet. Er bestaat alleen te repareren, onder voorwaarden binnen een bepaalde context. Als repareerbaarheid en wereldwijde verkrijgbaarheid echt het hoogste goed waren, reden we allemaal nog op zware, stalen fietsen, met 7-speed derailleurversnellingen en cantilever-remmen uit de jaren ‘80. En in Land Rovers de woestijn in.
De ultieme Ja-maar fiets
Ik ken twee fietsen die perfect voldoen aan de principes van de Ja-maar:
De eerste is een nieuwe oldtimer. De Chinese Flying Pigeon, gebaseerd op een Raleigh-ontwerp uit de jaren ’30, wordt tot op de dag van vandaag voor de Chinese bevolking gebouwd.

De tweede is de Buffalo Bike. Deze low-tech fiets is gebouwd door World Bicycle Relief om mensen in derdewereldlanden mobiel te maken en te houden. De Buffalo is oersterk, heeft maximaal versoberde techniek, is met het minste gereedschap door iedereen te repareren en is gemaakt van een staalsoort die goed te lassen is. Ontworpen om honderd kilo aan goederen over een zandpad te sleuren.



Bij de Buffalo Bike is repareerbaarheid tot het uiterste doorgevoerd. Deze fiets is wat je krijgt als de Ja-maar aan al zijn angsten toegeeft. Youtuber Berm Peak heeft er een mooie video over gemaakt. Bekijk ‘m HIER.
Maar waarom rijdt de Ja-maar dan geen Buffalo Bike? Omdat hij niet in de Sahel woont, maar in Nederland. Andere context, andere eisen.
Santos Patrol Bike
In Europese context geven we repareerbaarheid en betrouwbaarheid een andere invulling. Zo levert Santos al 24 jaar fietsen aan diensten die echt niet stil mogen vallen. De politie, handhaving, medische hulpverleners, de reddingsbrigade en boswachters.






Een medisch hulpverlener kiest geen fiets omdat hij onderweg naar een noodgeval de remkabel zo gemakkelijk zelf kan vervangen. Mensen die er beroepsmatig elke dag van afhankelijk zijn, kiezen precies voor de “onrepareerbare” technieken waar de Ja-maar bang voor is: Rohloff, hydraulische schijfremmen, tandriem, aluminium frame. “Ja, maar…” Ja, stil maar. Het is goed.
Iedere Santos Patrol Bike doet gemiddeld 10 tot 12 jaar dienst en sommige worden in bedreigende situaties zelfs als schild gebruikt. Tien jaar gooi- en smijtwerk op “onrepareerbare” techniek. De fiets-equivalent van de Toyota’s van Artsen Zonder Grenzen. En als ze met pensioen mogen, worden ze opgeknapt en verkocht aan particulieren. Klaar voor een wereldreis.

De Buffalo-rijder en de hulpverlener op de Santos Patrol Bike kiezen allebei wat de context eist. De Buffalo-rijder sleurt water door de Sahel, de hulpverlener rijdt iedere dag naar weer een nieuw noodgeval. De een heeft behoefte aan soberheid en repareerbaarheid, de ander aan pure betrouwbaarheid.
Geen van beiden heeft de luxe om er op internet over te theoretiseren, want er moet gewerkt worden. De Ja-maar gaat graag met een Land Rover de woestijn in en stelt op internet al die nieuwerwetsigheid ter discussie. Terwijl anderen een voorbeeld nemen aan de professionele hulpdiensten en lekker met hun onrepareerbare fietsen de hele wereld rond gaan.

Mijn context
Tot slot wil ik een bekentenis doen: ik ben ook een Ja-maar…
En wel op het gebied van elektronica. E-biketechnieken, USB-opladers, alles met een app, software, stekkers, sensoren en schermpjes. Zelfs in de Westerse context zijn de repareerbaarheid en betrouwbaarheid van elektrische onderdelen zeer slecht.
Mijn context: ik vertrouw een Rohloffnaaf met tandriem blind en een accupack met software voor geen meter. Niet omdat het ene oud is en het andere nieuw, maar omdat de eerste het altijd doet en de tweede het te vaak begeeft, en je er dan écht niet bij kunt.
Het verschil zit ‘m erin of de angst voor pech onderweg reëel is. De fietsfanaat is bang voor techniek die bewezen bijna nooit stukgaat. Ik ben bang voor techniek die bewezen wél stukgaat, en die je daarna kunt weggooien, omdat er na tien jaar geen onderdelen meer voor te krijgen zijn of de software niet meer ondersteund wordt.
Wat is jouw context?



